Als docent moet ik me afvragen hoe cursisten leren. Ik ben geen cognitief wetenschapper, maar met Google in de hand kom je door het ganse (binnen- en buiten)land. Daar kan ik dan mijn eigen ervaringen nog aan toevoegen.

Om met mijn eigen ervaringen te beginnen: ik heb les gegeven aan twee soorten cursisten. Mijn “eigen soort”, de programmeurs, ken ik natuurlijk het beste. Dit zijn de mensen die gerust een uur of langer naar mijn verhaal kunnen luisteren. Ook als dat verhaal ingewikkeld is. Ze vormen zich een beeld van wat ik zeg, om het te snappen en om het vast te houden. En daarna, als ik ze “loslaat”, gaan ze het toepassen. Heerlijke cursisten! Meer moeite heb ik met de andere soort: laat ik ze even de systeembeheerders noemen. Dit zijn de mannen (meestal) die in hun organisatie de computers draaiend houden, de software installeren, en de gebruikers ervan bijstaan. Zij leren heel anders: zodra ik één zin heb uitgesproken pakken ze de computer om wat ik heb gezegd uit te proberen. In het begin dacht ik dat ze me niet geloofden, maar later begreep ik dat dit hun manier van leren is. Ze leren door te doen. Een docent moet hier rekening mee houden. Welke soort heb ik in de klas? Hoe leren ze? Hoe moet ik mijn lessen indelen om te zorgen dat de stof blijft plakken?

Een ander interessant probleem, en daarvoor raadpleeg ik Google, is dat niet iedereen op ieder moment van de dag even goed leert. Er zijn pieken en dalen, en helaas lopen die niet bij iedereen synchroon. Er zijn voor de hand liggende verschillen tussen ochtendmensen en avondmensen, die bepalen op welk moment van de dag iemand het beste leert. Tot een jaar of 50 zijn mensen gemiddeld blijkbaar meer avondmens, daarna worden ze meer ochtendmens. Studenten leren het beste direct na de lunch (terwijl hun docenten dan juist minder gaan presteren). Tamelijk problematisch, als ik het probeer toe te passen op het dagritme van een training. Mijn gebruikelijke aanpak in de ochtend is eerst theorie, dan praktijk. Dat herhaalt zich in de middag. Voor de middag lijkt dat te kloppen, als je bedenkt dat mijn cursisten gemiddeld jonger dan 50 zijn. Lekker veel leren na de lunch, daarna toepassen. Sowieso krijg ik na 3 of 4 uur niets meer in die hersentjes gepompt. Maar voor de ochtend weet ik het nog steeds niet: gaan we beginnen met theorie, als we allemaal nog fit zijn? Of gaan we eerst even lekker wakker worden met een relaxed programmeer-oefeningetje? Ik neig steeds meer naar de laatste aanpak.

Tot slot de raad die ik altijd aan mijn cursisten meegeef: zorg ervoor dat je voldoende slaap krijgt. Er is een theorie die zegt dat tijdens onze slaap (meer specifiek: tijdens de remslaap) de informatie zich verplaatst van het kortetermijngeheugen naar het langetermijngeheugen. Zonder slapen geen leren, dus. De remslaap treedt meerdere malen per nacht op, in periodes van zo’n 20 minuten. Dit zijn ook de periodes dat je droomt. En met je ogen beweegt, de “rapid eye movements”, waar de remslaap zijn naam aan te danken heeft. Als je voortijdig wakker wordt gemaakt, wordt het leereffect weer teniet gedaan, zeggen sommigen.

Dus, docent: laat je studenten uitslapen. Of druk ze op het hart om vroeg naar bed te gaan, dan leren ze beter en zijn ze ook eerder wakker (tenslotte begint de les weer om 9 uur). En als ze tijdens de les in slaap vallen: maak je geen zorgen, ze zijn aan het leren. ’t Is niet omdat je een saaie docent bent, maar omdat je zoveel interessante dingen hebt verteld. Een hele troost.

Advertenties